den

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • den
enkelvoud meervoud
naamwoord den dennen
verkleinwoord dennetje dennetjes

Zelfstandig naamwoord

den m

  1. Pinus soort naaldboom
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie

Lidwoord

den

  1. (in vaste uitdrukkingen) accusatief en datief enkelvoud mannelijk en onzijdig (de,het) arch.
  2. (in Zuid-Nederlandse spreektaal) enkelvoudig mannelijk bepaald lidwoord wanneer eropvolgend woord met een klinker of b, d, h of t begint
Voorbeeld 'Den Haag'


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • den
Naar frequentie 19

Lidwoord

den, g

  1. de
Verwante begrippen
  • det (onzijdige vorm)
  • de (meervoudsvorm)

Aanwijzend voornaamwoord

den

  1. (3e persoon enkelvoud, mannelijke en vrouwelijke vorm) deze, die, dit

Persoonlijk voornaamwoord

den, g

  1. het
Verwante begrippen
  • det (onzijdige vorm)
  • de (meervoudsvorm)


Duits

Lidwoord

den

  1. de


Engels

Uitspraak
Woordafbreking
  • den
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudengelse woord "denn"
enkelvoud meervoud
den dens

Zelfstandig naamwoord

den

  1. (dierkunde) hol (van een wild dier, b.v. een beer of vos)
  2. (dierkunde) nest (van een wild dier, b.v. een krokodil)
  3. (bouwkunde) woonkamer (als rustpunt)
Synoniemen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • den
Naar frequentie 21

Lidwoord

den (voor mannelijke en vrouwelijke woorden in het enkelvoud)

  1. de
    «Den grønne bevegelsen startet da millioner av mennesker strømmet ut i gatene i protest mot valgfusk.»
    De groene beweging begon toen miljoenen mensen stroomden in de straten om te protesteren tegen de verkiezingsfraude.
Verwante begrippen
  • det (onzijdige vorm)
  • de (meervoudsvorm)
Uitdrukkingen en gezegden

Olav den hellige

  • Olaf de Heilige.

Aanwijzend voornaamwoord

den

  1. (3e persoon enkelvoud, mannelijke en vrouwelijke vorm) deze, die, dit
    «Den jenta liker jeg.»
    Ik hou van dit meisje.

Persoonlijk voornaamwoord

den m / v

  1. het
Verwante begrippen
  • det (onzijdige vorm)
  • de (meervoudsvorm)

De Noorse persoonlijke voornaamwoorden (in het bokmål)

hoeveelheid / speciale geval persoon woordgeslacht en delgroepen onderwerp (nominatief) voorwerp (accusatief) Nederlands (nominatief)
enkelvoud 1.  
jeg
meg
ik
2.  
du
deg
jij
3. mannelijk :
personen
dingen

han
den

han / ham
den
hij
vrouwelijk :
personen
dingen

hun
den

henne
den
zij
onzijdig
det
det
het
meervoud 1.  
vi
oss
wij
2.  
dere
dere
jullie
3.  
de
dem
zij
beleefdheidsvorm 2.  
De
Dem
U, u


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • den

Lidwoord

den (voor mannelijke en vrouwelijke woorden in het enkelvoud)

  1. de
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Olav den heilage

  • Olaf de Heilige.

Aanwijzend voornaamwoord

den

  1. (3e persoon enkelvoud, mannelijke en vrouwelijke vorm) deze, die, dit
    «Den saka er klar.»
    Deze zaak is duidelijk.

Persoonlijk voornaamwoord

den m/v

  1. het
Verwante begrippen


Tsjechisch

Zelfstandig naamwoord

den

  1. dag


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
dar

den

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van dar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van dar