datum
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- da·tum
Woordherkomst en -opbouw
- Van het Latijnse "datum" (wat gegeven is)
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | datum | data, datums |
| verkleinwoord | datumpje | datumpjes |
Zelfstandig naamwoord
datum m
- (tijdrekening) een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
- De datum waarop de brief geschreven was is 11-04-1933.