doen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • doen
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: doen
Oudnederlands: duon
Germaans: *dōnan
Indo-Europees: *dʰeh₁-
  • Verwant in Germaans:
Engels: do (Angelsaksisch: dōn), Duits: tun, (Oudhoogduits: tuon), Fries: dwaan, dwo (Oudfries: dūa, duā)
enkelvoud meervoud
naamwoord doen -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

doen o

  1. het verrichten van een werk
    Tegenwoordig is niet het spreken belangrijk, maar het doen.
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
doen doend
daad gedaan
gedoe doenlijk


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doen
dun
deed
det
gedaan
ɣə.'dan
onregelmatig volledig

Werkwoord

doen

  1. (overgankelijk) een actie ondernemen
    Laten we wat anders doen.
  2. (hulpwerkwoord) maakt van een ergatief werkwoord een causatieve constructie
    De hitte van de zon deed de boter smelten.




Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: aangifte doen
  • [1]: cadeau doen
als geschenk geven
  • [1]: een beroep op iets of iemand doen
  • [1]: iets van de hand doen
iets verkopen
  • [1]: iets vriendelijk doen
  • zich te goed doen aan
met smaak iets eten
Vertalingen


Middelnederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid
deelwoord
enkelvoud meervoud
doen dede daden ghedoen
onregelmatig volledig  


Werkwoord

doen

  1. doen


Noors

Woordafbreking
  • do·en
Naar frequentie 16428

Zelfstandig naamwoord

doen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van do (toon)

Zelfstandig naamwoord

doen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van do (toilet)
Schrijfwijzen


Nynorsk

Woordafbreking
  • do·en

Zelfstandig naamwoord

doen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van do (toon)

Zelfstandig naamwoord

doen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van do (toilet)
Schrijfwijzen