doening

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • doe·ning
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord doening doeningen
verkleinwoord doeningske doeningskes

Zelfstandig naamwoord

doening v

  1. plaats waar men werkt
    1. (detailhandel) nering, winkel
    2. (landbouw) boerderij, erf
    3. (figuurlijk) huis, woning
  2. manier van doen
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

32 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.

Verwijzingen