toedoen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·doen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
toedoen
deed toe
toegedaan
onregelmatig volledig

Werkwoord

toedoen

  1. overgankelijk dichtdoen, sluiten
    • Hij deed de deur toe. 
    • Ik heb geen oog toegedaan vannacht. 
enkelvoud meervoud
naamwoord toedoen -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

toedoen o

  1. handelingen, acties
    • Door zijn toedoen belandde iemand in het ziekenhuis. 
    • Hij is niet gestorven door menselijk toedoen. 
  2. door ~ van: door de schuld van, veroorzaakt door
    • Enkele demonstranten kwamen om door toedoen van het leger. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.