Naar inhoud springen

schenken

Uit WikiWoordenboek
  • schen·ken
  • In de betekenis van ‘gieten’ voor het eerst aangetroffen in 1100 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schenken
schonk
geschonken
klasse 3 volledig

schenken

  1. ditransitief overdragen van bezit aan iemand anders (zonder tegenprestatie)
    • Zij schonken hem een stuk land. 
    • Hem werd een stuk land geschonken. 
    • Hij kreeg een stuk land geschonken. 
  2. vergeving schenken: iemand iets vergeven
     Dat de man hier, behalve door zijn genadiglijk schenken van vergeving, ook iets aan bij kan dragen, komt kennelijk niet in Frage.[3]
  3. aandacht schenken: ergens aandacht voor hebben
     Als wij er zicht op willen krijgen hoe het moderne strafsysteem ontstaan is, moeten wij leren 'geduldig stil te staan bij details en onze aandacht te schenken aan kleinigheden'.[3]
  4. overgankelijk in een ander vat laten vloeien, overgieten
     Wij kennen alleen maar de dode objecten van de fysica en bij ons moderne mensen ontaardt het traditionele schenken dus 'in een ordinaire tapperij'.[3]
    • De wijn werd in de glazen geschonken. 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]