schenken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schen·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schenken
schonk
geschonken
klasse 3 volledig

Werkwoord

schenken

  1. ditransitief geven, cadeau doen; doneren
    • Zij schonken hem een een stuk land. 
    • Hem werd een stuk land geschonken. 
    • Hij kreeg een stuk land geschonken. 
  2. overgankelijk in een ander vat laten vloeien, overgieten
    • De wijn werd in de glazen geschonken. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie