Naar inhoud springen

deed

Uit WikiWoordenboek
  • deed
vervoeging van
doen

deed

  1. enkelvoud verleden tijd van doen
    • Ik deed. 
    • Jij deed. 
    • Hij, zij, het deed. 
     Ze trokken langzaam hun kleren uit, ze deed niet eens alsof ze weerstand bood, maar toen ze alleen nog haar hemd en onderbroek aanhad, verontschuldigde ze zich en ging naar de badkamer om iets te doen, plassen of een pessarium indoen of wat het ook kon zijn.[1]
     Aan zijn biograaf had hij er eerder nog wat bij verteld. Een van degenen die destijds bij hem binnenliepen was "een charmante twintiger", de minnaar van een vrouw die zijn souterrain huurde. Op een dag ontdekte Terlouw dat de man 400 gulden uit zijn bureaula had gepikt. Omdat de man huilend bekende, deed Terlouw geen aangifte.[2]
97 %van de Nederlanders;
92 %van de Vlamingen.[3]
  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Blauwe ster” (2016), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044628265
  2. Bronlink geraadpleegd op 16 mei 2025 Weblink bron
    Dik Verkuil
    “Het vertrouwen van Jan Terlouw was zijn kracht en zijn zwakte” (16 mei 2025), NOS
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


deed mv

  1.  daad zn  (met name in positieve zin; nobele/prijzenswaardige daad)
  2. iets dat in de praktijk gebeurt/gedaan wordt
  3. (juridisch) het in bezit hebben van onroerend goed
vervoeging
onbepaalde wijs to  deed 
he/she/it  deeds 
verleden tijd  deeded 
voltooid
deelwoord
 deeded 
onvoltooid
deelwoord
 deeding 
gebiedende wijs  deed 

deed

  1. overgankelijk, (juridisch) onroerend goed overdragen