laten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • la·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: laten
Oudnederlands: lātan
Germaans: *lētanan
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: let (Angelsaksisch: lǣtan), Duits: lassen, (Oudhoogduits: lāzzan), Fries: litte
Noord: Zweeds: låta, Deens: lade, Noors: la, (Oudnoords: láta), IJslands/Faeröers: láta
Oost: Gotisch: letan
  • Andere Indo-Europese talen:
Romaans: Latijn: lassō, Frans: laisser, (Oudfrans: lesser, laisier)
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
laten
/'la.tə(n)/
liet
/lit/
gelaten
ɣə'la.tə(n)/
klasse 7 volledig

Werkwoord

laten

  1. hulpwerkwoord maakt een causatief uit een ergatief werkwoord: veroorzaken dat het gebeurt
    • Hij liet zijn auto repareren. 
  2. hulpwerkwoord maakt een causatief uit een ergatief werkwoord: toestaan dat iets gebeurt
    • Hij liet de boter smelten. 
  3. overgankelijk het niet doen
    • Laat dat! 
  4. overgankelijk er niets aan veranderen
    • Het zo laten. 
  5. overgankelijk vertrekken zonder hem mee te nemen
    • Zij liet hem daar. 
  6. aansporing om iets te doen
    • Laat dit een voorbeeld zijn. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

laten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord laat

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
latir

laten

  1. derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van latir