uitdoen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·doen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitdoen


deed uit


uitgedaan


onregelmatig volledig

Werkwoord

uitdoen

  1. (overgankelijk) uitschakelen
    Hij deed het licht uit.
  2. (overgankelijk) kleding afleggen
    De stripper deed tergend langzaam haar bloesje uit.
Typische woordcombinaties
  • een kaars uitdoen
  • kleren uitdoen
Vertalingen