onderdoen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·der·doen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
onderdoen
deed onder
ondergedaan
onregelmatig volledig

Werkwoord

onderdoen [1]

  1. (iets) onder de voeten doen
  2. overweldigd worden, zich onderwerpen, de minste zijn, zwichten
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen