misdoen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mis·doen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
misdoen
misdeed
misdaan
onregelmatig volledig

Werkwoord

misdoen

  1. overgankelijk een slechte daad plegen
    • Maar wat is je misdaan dat je zo huilt, m'n kind? 

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.