gedaante

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·daan·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gedaante gedaanten
gedaantes
verkleinwoord gedaantetje gedaantetjes

Zelfstandig naamwoord

gedaante v

  1. een menselijk figuur
    • Bovenop de heuvel verscheen een imposant gedaante. 
  2. een uitwendige verschijning
    • Zeus nam de gedaante van een zwaan aan. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl