afdoen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·doen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afdoen
deed af
afgedaan
onregelmatig volledig

Werkwoord

afdoen

  1. overgankelijk een gerezen vraag of tegenwerping als onbetekenend voorstellen
    • Hij deed dat af alsof het een slechte grap was.. 
  2. overgankelijk een sieraad of kledingstuk afleggen
    • Hij had zijn hoed nog niet afgedaan. 
  3. ten einde brengen, niet langer werkzaam of geldig zijn
    • Behalve dan dat de twee waarnemers zich, op het moment dat ze zo laag mogelijk gebukt vooruitkwamen, als konijnen lieten neerschieten. Eerst vielen er drie schoten en daarna een diepe stilte; de zaak was wat de vijand betreft afgedaan. [1] 
    • Hij is niet meer belangrijk voor me nadat hij zo vervelend deed, hij heeft helemaal voor mij afgedaan. 
  4. minder belangrijk maken
    • Hoewel de uitkomst rampzalig was deed dat niets af aan de goede bedoelingen die hij toch had. 
Typische woordcombinaties
  • een hoofddoek afdoen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 14