tun

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • tun
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tun
/tuːn/
tat
/taːt/
getan
/ɡəˈtaːn/
volledig

Werkwoord

tun

  1. overgankelijk doen
    «Er tat es wegen des Geldes.»
    Hij deed het voor het geld.