zetten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zet·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zetten
zette
gezet
zwak -t volledig

Werkwoord

zetten

  1. op een bepaalde wijze schikken
  2. (m.b.t. koffie of thee) bereiden, klaarmaken
  3. iets neerschrijven
    Hij zette zijn handtekening onder het document.
  4. vastzetten
  5. (wederkerend), (België) plaatsnemen, gaan zitten
  6. (oude ambacht bij het ontstaan van de boekdrukkunst) letters naast elkaar plaatsen zodat meerdere afdrukken van een document gemaakt kunnen worden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: aan de kant zetten
  • al zijn geld op één kaart zetten
  • [1]: iemand aan de deur zetten
  • iemand een hak zetten
  • [1]: iemand in de bloemetjes zetten
  • iets op de kaart zetten
  • klem zetten
  • op individueel regime zetten
  • voet aan wal zetten
aan wal gaan
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

zetten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zet