opbrengen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
opbrengen opbrengend
opbrengst opgebracht
Uitspraak
Woordafbreking
  • op·bren·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opbrengen
bracht op
opgebracht
zwak -cht volledig

Werkwoord

opbrengen

  1. (absoluut) als batig resultaat leveren
    Deze aandelen brachten weinig op.
  2. (overgankelijk) regelmatig iets betalen
    Hij moest zijn huis verkopen omdat hij de stijgende kosten niet opbrengen kon.
  3. (overgankelijk) een laag op iets aanbrengen
    Laag na laag werd opgebracht.
  4. (overgankelijk) arresteren, dwingen naar een haven te gaan
    Het schip werd opgebracht door de marine.
Synoniemen
Vertalingen