opbrengen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
opbrengen opbrengend
opbrengst opgebracht
Uitspraak
Woordafbreking
  • op·bren·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opbrengen
bracht op
opgebracht
zwak -cht volledig

Werkwoord

opbrengen

  1. absoluut als batig resultaat leveren
    • Deze aandelen brachten weinig op. 
  2. overgankelijk regelmatig iets betalen
    • Hij moest zijn huis verkopen omdat hij de stijgende kosten niet opbrengen kon. 
  3. overgankelijk een laag op iets aanbrengen
    • Laag na laag werd opgebracht. 
  4. overgankelijk arresteren, dwingen naar een haven te gaan
    • Het schip werd opgebracht door de marine. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.