Naar inhoud springen

opbrengen

Uit WikiWoordenboek
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
opbrengenopbrengend
opbrengstopgebracht
  • op·bren·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opbrengen
bracht op
opgebracht
zwak -cht volledig

opbrengen

  1. absoluut als batig resultaat leveren
    • Deze aandelen brachten weinig op. 
  2. overgankelijk regelmatig iets betalen of een andere inspanning leveren
    • Hij moest zijn huis verkopen omdat hij de stijgende kosten niet opbrengen kon. 
     `Ik weet het; zei de majordomus. 'Het was ijdele hoop dat dit u zou ontgaan. Ik vraag u met klem de grootmoedigheid op te brengen om mijn nederige excuses te aanvaarden. Deze uit de toon vallende decoratie is het jammerlijke gevolg van het enthousiasme van de nieuwe eigenaar.'[1]
     'Ik denk niet dat mijn vader hetzelfde enthousiasme zou kunnen opbrengen als hij wist dat ik het had geschilderd,' zei Olive.[2]
     Al die mensen die mijn spreekkamer in en uit hobbelen: ik kan het niet meer opbrengen om ze te laten begaan.[3]
     De badkamervloer is drijfnat, maar ik kan het niet opbrengen om er iets van te zeggen.[4]
  3. overgankelijk een laag op iets aanbrengen
    • Laag na laag werd opgebracht. 
  4. overgankelijk arresteren, dwingen naar een haven te gaan
    • Het schip werd opgebracht door de marine. 


99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]
  1. “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 16
  2. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  3. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  4. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be