verdoen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·doen
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van doen met het voorvoegsel ver-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verdoen
verdeed
verdaan
onregelmatig volledig

Werkwoord

verdoen

  1. overgankelijk nutteloos besteden, verkwanselen, verspillen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.