weldoener

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wel·doe·ner
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van wel en doen met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord weldoener weldoeners
verkleinwoord weldoenertje weldoenertjes

Zelfstandig naamwoord

weldoener m

  1. iemand die een goede daad doet door iemand vooral financieël te helpen
     Zo was de eenvoudige monnik uit Myra, die in de vierde eeuw plotseling in de geschiedenis kwam als de weldoener van alle mensen - en er korte tijd later weer uit verdween - nu in oost en west bekend.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 10