do

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: do.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do
Woordherkomst en -opbouw
  • v/m uit het Italiaans overgenomen wijziging van de vroegere benaming ut, als verwijzing naar Latijn Dominus of mogelijk ook naar de achternaam van de Italiaanse musicoloog Giovanni Battista Doni die in de 17e eeuw deze naamswijziging bedacht
  • m (verkorting) van het Nederlandse zelfstandige naamwoord donderdag
v/m enkelvoud meervoud
naamwoord do do's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

do v/m

  1. (muziek) (Nederland) een bepaalde toon, die de grondtoon van een melodie aangeeft
    De toonhoogte is wat lager dan gebruikelijk, toch noemen we de eerste drie trappen van de toonladder do-re-mi.
  2. (muziek) (Vlaanderen) een toon van een bepaalde frequentie, die in andere systemen met C aangegeven wordt
    Dit stuk staat in do mineur.
Verwante begrippen

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

do m

  1. (afkorting), (tijdrekening), (dag) donderdag, de vierde dag van de werkweek
    «Open: di, wo, do, vr; dicht: za, zo, ma.»
    Geopend op dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag; gesloten op zaterdag, zondag en maandag.
Opmerkingen
  • Echte afkortingen worden als regel met een punt geschreven: do., maar in opsommingen waar uit de context al duidelijk is dat het om de naam van een weekdag gaat is het gebruikelijk om de punt weg te laten[1].
Afgeleide begrippen
Verwijzingen
  1. Afkortingen van de dagen van de week op website: taaladvies.net; geraadpleegd 2016-10-26

Meer informatie


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
do dos

Zelfstandig naamwoord

do

  1. (tweeletterwoord) (muziek) do de naam van de grondtoon in solmisatie
  2. informeel feestje, partijtje
    «We're having a bit of a do to celebrate my birthday.»
    We houden een feestje voor mijn verjaardag.
  3. informeel kapsel
    «Nice do!»
    Leuk haar!
  4. iets dat gedaan hoort te worden
    «You have to know the dos and don'ts.»
    Je moet wel weten wat je doen en laten moet.
  5. (verouderd) daad, handeling
  6. (verouderd) gedoe, opschudding, rel
vervoeging
onbepaalde wijs to do
he/she/it does
verleden tijd did
voltooid
deelwoord
done
onvoltooid
deelwoord
doing
gebiedende wijs do

Werkwoord

do

  1. doen
Verwante begrippen
Tweeletterwoorden in het Engels

aaabadaeagahaialamanarasatawaxaybabebibobydadedidoedefehelemeneresetexfafigigohahehihmhoidifinisitjokakilalilomamemimmmomumynanenonuodoeofohoiomonoporosowoxoypapepiqireshsisotatitouhumunupusutwewoxixuyayeyoza



Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  do     le do     do     les do  

Zelfstandig naamwoord

do m

  1. (muziek): de muziektoon “c” of ook “do
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen


Fries

Zelfstandig naamwoord

do

  1. (dierkunde) duif
  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik my wy ús
2e persoon
fam.
do dy jimme jimme
2e persoon
beleefd
jo jo
3e persoon
(mannelijk)
hy him hja, sy har, harren
3e persoon
(vrouwelijk)
hja, sy har
3e persoon
(onzijdig)
it it

Persoonlijk voornaamwoord

do

  1. tweede persoon enkelvoud informeel: jij



Iers

Bezittelijk voornaamwoord

do

  1. (met aspiratie voor een vrouwelijk woord) jouw


Latijn

Werkwoord

vervoeging van
dăre

  1. actief indicatief praesens, eerste persoon enkelvoud van dăre


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • do
Woordherkomst en -opbouw
  • [A] Afkomstig uit het Italiaans
  • [B] Afkomstig van het Nederduitse werkwoord "don" (= doen)
Naar frequentie 1521
m
[A+B]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   do     doen     doer     doene  
genitief   dos     doens     doers     doenes  

Zelfstandig naamwoord

[A] do, m

  1. (muziek) do
Verwante begrippen
o
[B]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   do     doet     do
doer  
  doa
doene  
genitief   dos     doens     dos
doers  
  doas
doenes  

Zelfstandig naamwoord

[B] do, m / o

  1. (bouwkunde) bestekamer, closet, gemak, plee, toilet, wc, WC
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

do, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van do
Schrijfwijzen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • do
Woordherkomst en -opbouw
  • [A] Afkomstig uit het Italiaans
  • [B] Afkomstig van het Nederduitse werkwoord "don" (= doen)
m
[A+B]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   do     doen     doar     doane  

Zelfstandig naamwoord

[A] do, m

  1. (muziek) do
Verwante begrippen
o
[B]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   do     doet     do     doa  

Zelfstandig naamwoord

[B] do, m / o

  1. (bouwkunde) bestekamer, closet, gemak, plee, toilet, wc, WC
Synoniemen

do, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van do
Schrijfwijzen


Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • do

Bijwoord

do

  1. daar, hier
    «Gedechtnisdaag iss der Daag as mir do in Amerikaa denke un errinere uff all die Soldaade die in Griege gschtarewe sin.»
    Memorial Day is de dag op die we denken en herinneren hier in Amerika aan al de soldaten die zijn omgekomen in oorlogen.
Opmerkingen


Tsjechisch

Uitspraak

Voorzetsel

do

  1. in,aan
    «Co je to do toho?»
    Wat gaat het jou aan?