rijden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rij·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rijden
/'rɛɪ̯də(n)/
reed
/ret/
gereden
/ɣə'redə(n)/
klasse 1 volledig

Werkwoord

rijden

  1. ergatief zich verplaatsen met behulp van een voertuig
    • Zij reden naar Amsterdam. 
  2. overgankelijk iemand met een voertuig ergens heen brengen
    • Hij heeft mij naar Amsterdam gereden. 
  3. zich voortbewegen op een rijdier (bijv. een paard)
    • Zij reed op een ruin. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Een scheve schaats rijden.
verkeerde dingen doen
  • Iemand in de wielen rijden.
iemand tegenwerken om te zorgen dat het mis gaat
  • Krakende wagens rijden het langst.
nieuw hoeft niet altijd beter te zijn ofwel: mensen die vaak ziek zijn worden vaak toch heel oud
Vertalingen

Werkwoord

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als verleden tijd werkwoord.

vervoeging van
rijen

rijden

  1. meervoud verleden tijd van rijen
    • Wij rijden. 
    • Jullie rijden. 
    • Zij rijden. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen