meedoen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mee·doen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
meedoen
/ˈmedun/
deed mee
deden mee
/detˈme/
/ˌdedə(n)ˈme
meegedaan
/ˈmeɣəˌdan/
onregelmatig volledig

Werkwoord

meedoen

  1. inergatief tegelijk met anderen iets doen
    • Hij wilde graag met het spel meedoen. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.