terugdoen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·rug·doen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

terugdoen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
terugdoen
deed terug
teruggedaan
onregelmatig volledig
  1. iets doen wat een ander ook eens voor jou gedaan heeft
    • Iets terugdoen voor alle zorg die je hebt ontvangen is aardig maar niet echt nodig.  

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.