doon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Limburgs

Uitspraak
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doon
dij
gedaon
klasse 8 volledig
  • IPA: /doːn/ (Etsbergs)

Werkwoord

doon

  1. doen
  2. maken
  3. laten
    «Dooch 't vare, doe zöls nömmer riek waere mid det.»
    Laat het varen, je zult daarmee nooit rijk worden.
  4. laten doen (in combinatie met )
    «Doe mós det tö doon, went anges geit 't verkieërdj.»
    Je moet dat laten doen, want anders gaat het verkeerd.
  5. repareren
  6. (verouderd) willen
    «Waat se deis, muuerk nemes.»
    Wat je wil, interesseert niemand.
  7. aanmaken, creëren
  8. beginnen aan
    «Dooch nag daen ópgaaf èn doe bös aaf.»
    Begin nog even aan die opdracht en je bent klaar.
  9. aan de hand zijn
    «Waat deit tich?»
    Wat is er aan de hand met jou?
  10. (verouderd) standaard persoonsvorm in een zin
    «Weer dijje rènne euver 't zandjpaad.»
    Wij renden over het zandpad.
  11. stoppen
    «Dooch dich det meh in diene rögkszakke.»
    Stop het maar in je rugzak.