genoegdoening

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·noeg·doe·ning
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van genoeg en doen met het achtervoegsel -ing
enkelvoud meervoud
naamwoord genoegdoening genoegdoeningen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

genoegdoening v

  1. het herstellen van materiële of immateriële schade, boete, eerherstel, schadeloosstelling
    • De beledigde man eiste genoegdoening. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.