nietsdoen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • niets·doen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nietsdoen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

nietsdoen o

  1. ledigheid
    • Nietsdoen was de specialiteit van de slampamper. 
    • Nietsdoen is eigenlijk heel goed voor je geestelijke gezondheid als je het maar met mate doet. 
Synoniemen
  1. dagdieven, flierefluiten, lanterfanten, niksen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.