tenietdoen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·niet·doen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tenietdoen
deed teniet
tenietgedaan
onregelmatig volledig

Werkwoord

tenietdoen

  1. overgankelijk tot niets terugbrengen
    • De geboekte economische vooruitgang werd tenietgedaan door het ineenstorten van de aandelenmarkt. 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.