node

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • no·de
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bijwoord van modaliteit: onwillig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]

Bijwoord

node

  1. tot nood, grote nood veroorzakend
    • Plotseling werd hij ernstig ziek; hij werd node gemist bij het concert. 

Zelfstandig naamwoord

node

  1. datief van nood
    • Snel werd duidelijk wat men allemaal van node had. 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
76 % van de Vlamingen.

Verwijzingen