tweekleurig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • twee·kleu·rig
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen tweekleurig
verbogen tweekleurige
partitief tweekleurigs

Bijvoeglijk naamwoord

tweekleurig

  1. met zowel een of meer vlakken in één kleur als een of meer vlakken in nog één andere kleur
     De na het starten opverende draaiknop voor de automaat, het tweekleurige leer in rood en zwart, de ronde klokken met een spat analoge nostalgie voeden de onderscheidingsdrang van de bestuurder.[3]
Verwante begrippen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. tweekleurig op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 9 juni 2020 Weblink bron Bas van Putten “Krokant met een zachte vulling” (30 april 2016) op nrc.nl