schoppen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schop·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schoppen
/'sxɔ.pə(n)/
schopte
/'sxɔ.ptə/
geschopt
/ɣə'sxɔ.pt/
zwak -t volledig

Werkwoord

schoppen

  1. een trap geven
    Hij schopte de bal in het net.
  2. het ver schoppen: succesvol zijn in het leven
    Hij kwam uit een eenvoudige familie, maar schopte het ver doordat hij een succesvol bedrijf begon.
Vertalingen


klaveren ruiten harten schoppen
Bay eichel.svg Bay schellen.svg Bay herz.svg Bay gras.svg
eikels bellen harten bladeren
enkelvoud meervoud
naamwoord schoppen schoppens
verkleinwoord schoppentje schoppentjes

Zelfstandig naamwoord

schoppen v/m

  1. (kaartspel) , een kleursoort in het kaartspel
    Ik bood twee schoppen.
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

schoppen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord schop