huidskleur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huids·kleur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huidskleur huidskleuren
verkleinwoord huidskleurtje huidskleurtjes

Zelfstandig naamwoord

huidskleur v/m

  1. kleur van de (menselijke) huid
     Telkens is de ongelijkheid aangetoond: bij het huren en kopen van een huis, zoeken naar een stage, binnenkomen van een club, staande gehouden en gefouilleerd worden door de politie, uitdelen van celstraffen en opsporen van belastingfraude. In al die gevallen werken een naam en huidskleur die niet direct als Hollands worden geassocieerd tegen je.[1]
Synoniemen


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Haro Kraak“Waarin zit toch de witte angst om over racisme te praten?” (5 juni 2020), de Volkskrant
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be