boon

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Phaseolus vulgaris
Uitspraak
Woordafbreking
  • boon
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boon bonen
verkleinwoord boontje boontjes

Zelfstandig naamwoord

boon v/m

  1. (plantkunde) (voeding) Phaseolus vulgaris Wikispecies-logo-en.png Vicia faba Wikispecies-logo-en.png vlinderbloemige plant met rode, witte of paarse bloemen, waaruit de eetbare peulvruchten groeien
  2. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten, waarvan men alleen de zaden ofwel de gehele vrucht eet
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • een heilig boontje
    • iemand die heel braaf is
  • ieder boontje geeft zijn toontje
  • boontje komt om zijn loontje
    • je verdiende loon krijgen na het plegen van een slechte daad
  • in de bonen zijn
    • van geluk helemaal in de war zijn
  • honger maakt rauwe bonen zoet
    • als je honger hebt vind je alles lekker
  • je eigen boontje doppen
    • zelfstandig zijn, voor jezelf kunnen zorgen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord boon bone

Zelfstandig naamwoord

boon

  1. kleur


Engels

Uitspraak
Woordafbreking
  • boon
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord bōn (= gebed).
stellend vergrotend overtreffend
boon - -

Bijvoeglijk naamwoord

boon

  1. lustig, vriendelijk, vrolijk
  2. (verouderd) gunstig, voordelig
Synoniemen
Antoniemen
enkelvoud meervoud
boon boons

Zelfstandig naamwoord

boon

  1. attentie
  2. gave
  3. gunst
  4. kameraad
  5. zegen
  6. zegening
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [4]: boon companion
een intimus
een favoriete metgezel
een leuke pimpelaar
  • [4]: boon fellow
een pimpelaar
  • [5]: to prove a boon
zich als zegen betonen
  • [5]: boon and bane
vloek en zegen


Yucateeks

Zelfstandig naamwoord

boon

  1. kleur