aarzel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aar·zel

Werkwoord

vervoeging van
aarzelen

aarzel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aarzelen
    • Ik aarzel. 
  2. gebiedende wijs van aarzelen
    • Aarzel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aarzelen
    • Aarzel je?