zich

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zich
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: sich
Oudnederlands: sik
Germaans: *sek
Indo-Europees: *se
  • Verwant in Germaans:
West: Duits: sich, (Oudhoogduits: sih)
Noord: Zweeds/Deens/IJslands: sig, (Oudnoors: sik), Noors/Faeröers: seg
Oost: Gotisch: sik
  enkelvoud meervoud
verplicht keuze verplicht keuze
1e persoon mij
me
mijzelf
mezelf
ons onszelf
2e persoon
(informeel)
je jezelf je jezelf
2e persoon
(formeel)
zich zichzelf zich zichzelf
2e persoon
(regionaal)
u uzelf u uzelf
3e persoon
zich zichzelf zich zichzelf

Wederkerend voornaamwoord

zich

  1. derde persoon enkelvoud en meervoud
    Hij wast zich onder de douche.
  2. tweede persoon (formeel) uzelf
    U kunt zich daar wassen en omkleden.
  3. ~ iets geeft een onbedoeld resultaat aan bij vele (ook onovergankelijke) werkwoorden
    Hij lachte zich een bult.
    Hij viel zich een ongeluk.
Opmerkingen
  • Deze vorm wordt gebruikt als de reflexiviteit verplicht is, dat wil zeggen dat het werkwoord alleen als wederkerend gebruikt kan worden. Ook optioneel wederkerende werkwoorden kunnen het gebruiken maar voor deze is zichzelf gebruikelijker.


Etruskisch

Werkwoord

zich

  1. schrijven