bos

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Bos
[1] Een bos.
[2] Een bosje bloemen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bos
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bos bossen
verkleinwoord bosje bosjes

Zelfstandig naamwoord

bos

  1. o: een groep bomen
    • Hij ging wandelen in de bossen. 
  2. m: een bundel stelen of vezels
    • Hij bracht een bosje bloemen mee. 
    • De jongen heeft een dikke bos haar op zijn hoofd. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Bos hout voor de deur
  • Door de bomen het bos niet meer zien
door een overvloed aan informatie het overzicht verliezen
  • Huilen met de wolven in het bos
het er niet mee eens zijn maar wel de baas gelijk geven en bevestigen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bossen

bos

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bossen
    • Ik bos. 
  2. gebiedende wijs van bossen
    • Bos! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bossen
    • Bos je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Latijn

Uitspraak
Woordafbreking
  • bos

Zelfstandig naamwoord

bōs m of v

  1. rund, os
  2. koe
Verbuiging



Papiamento

Zelfstandig naamwoord

bos

  1. donder


Tsjechisch

Uitspraak


Woordafbreking
  • bos
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Engelse woord boss, wat op zijn beurt is afgeleid van het Nederlandse baas

Zelfstandig naamwoord

bos

  1. baas, chef
Verbuiging


Synoniemen


Verwijzingen

Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het bijvoeglijk naamwoord bosý

Bijvoeglijk naamwoord

bos

  1. blootvoets
Verbuiging


Verwante begrippen


Verwijzingen