baas

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • baas
enkelvoud meervoud
naamwoord baas bazen
verkleinwoord baasje baasjes

Zelfstandig naamwoord

baas m

  1. (informeel) overste, leider, chef
    • Onze chef voelt zich een heel baasje. 
  2. eigenaar van een dier
    • Hondenpoep dient door het baasje opgeruimd te worden. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Overerving en ontlening

[1]

Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bazen

baas

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bazen
    • Ik baas. 
  2. gebiedende wijs van bazen
    • Baas! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bazen
    • Baas je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.