luizenbos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Gertjan Verbeek „met zijn herkenbare markante kop en grote luizenbos haar”
Uitspraak
Woordafbreking
  • lui·zen·bos
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord luizenbos luizenbossen
verkleinwoord luizenbosje luizenbosjes

Zelfstandig naamwoord

luizenbos m [1]

  1. (schertsend) een dikke bos haar
    • Verbeek combineerde profvoetbal met een boksschool en behaalde tegelijkertijd de derde dan in het keuzevak judo. Hij woonde toen in op de woonboerderij van zijn judoleraar op het CIOS, Leo de Vries. De oud-bondscoach is zeer gecharmeerd van zijn voormalige pupil, „met zijn herkenbare markante kop en grote luizenbos haar”.[2] 
    • 'Luister eens, luizenbos', zegt haar oom Kreon (Joop Keesmaat), in een van de weinige rustiger momenten in hun discussie. Maar luisteren lijkt moeilijk voor deze Antigone, en dan laat ook Kreon zich weer verleiden tot luid gebries. [3]  
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Bart Hinke Michiel Dekker 26 november 2011
  3. Volkskrant 21 juni 2012