strobos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stro·bos
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord strobos strobossen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

strobos m [1]

  1. bundel gedroogd stro
    • Toen nam hij de strobos ter hand, die voor de dorpel van de deur moest liggen, en met die strobos veegde Jenneskes de lamp van de tafel. Verbouwereerd bleef Jenneskes even staan: toen brandde echter de strobos als een fakkel, Jenneskes wierp hem van zich, en begon zijn eigen kleren te doven. [2] 

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
75 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen