chef

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • chef
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘die aan het hoofd staat’ voor het eerst aangetroffen in 1516 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord chef chefs
verkleinwoord chefje chefjes

Zelfstandig naamwoord

chef m

  1. (beroep) de baas, iemand die de leiding heeft
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

enkelvoud meervoud
chef chefs

Zelfstandig naamwoord

chef

  1. (kookkunst) kok


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  chef     le chef     chefs     les chefs  

Zelfstandig naamwoord

chef m

  1. hoofd, hoofdman, baas
  2. (kookkunst) kok
  3. (heraldiek) schildhoofd
  4. (spreektaal) uitblinker, held
    «Michaël se débrouille comme un chef
    Michaël kan zich uitstekend redden. [1]

Verwijzingen