boskapel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

boskapel
Uitspraak
Woordafbreking
  • bos·ka·pel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boskapel boskapellen
verkleinwoord boskapelletje boskapelletjes

Zelfstandig naamwoord

boskapel v/m [1]

  1. een klein gebedshuis in het bos
    • Bosbegankenis start op 25 april. Er zijn dagelijks missen en een beeweg in en om de Boskapel in de Kasteelstraat. Tijdens de openingsmis om 10.45 uur zijn het Okra-koor en fanfare De Eendracht van de partij, 'tMuziek en het Gregoriuskoor zingen op 2 mei. Op 3 mei om 10 uur is de slotmis. [2] 
    • Vandalen hebben woensdag heel wat schade aangericht aan de recent gerenoveerde boskapel in Hengelhoef. [3] 
    • ‘In het bosje van de Boskapel, dat we maar net in beheer namen, worden ongeveer honderd oude eiken bedreigd. [4] 

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen