bossen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bos·sen
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van bos met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bossen
boste
gebost
zwak -t volledig

Werkwoord

bossen [1] [2] [3]

  1. overgankelijk in bossen samenbinden [4]
Hyponiemen

Zelfstandig naamwoord

bossen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bos
     Ik wilde met mijn hele hebben en houden op mijn rug in de overweldigende wildernis van Amerika slapen onder de sterren, nieuwe mensen ontmoeten, alleen met mijn gedachten door de bossen lopen en de vrijheid hebben om te gaan en te staan waar ik wilde.[5]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen