mannelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • man·ne·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van man met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen mannelijk mannelijker mannelijkst
verbogen mannelijke mannelijkere mannelijkste
partitief mannelijks mannelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

mannelijk

  1. (biologie) tot het geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
    • Aantal mannelijke leraren op basisscholen daalt verder [1] 
  2. (grammatica) behorend tot het woordgeslacht dat vrouwelijk noch onzijdig is
    • Kerel, hond en eik zijn mannelijke woorden in het Nederlands. 
  3. (sociologie) (psychologie) met gedrag zoals van mannen verwacht wordt, kenmerkend voor een man
    • Er waren natuurlijk vrouwen op wie al dat haar indruk maakte, dat mannelijke, ruwe, viriele, een beetje Spaanse aan hem. [2] 
    • Mannelijke dadendrang. 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. www.nu.nl
  2. Lemaitre, Pierre Tot ziens daarboven 2014 ISBN 9789401601931 pagina 13
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be