hakbos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hak·bos
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hakbos hakbossen
verkleinwoord hakbosje hakbosjes

Zelfstandig naamwoord

hakbos o [1]

  1. bundel hout die men gebruikt voor verwarming
Vertalingen

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
70 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen