naaldbos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

naaldbos met Douglassparren
Uitspraak
Woordafbreking
  • naald·bos
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord naaldbos naaldbossen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

naaldbos o [1]

  1. (biologie) een bos met overwegend naaldbomen vooral voorkomend in een koud klimaat of op minder vruchtbare gronden
    • Het heuvelachtige gebied is begroeid met naaldbossen en loofbossen afgewisseld met weilanden, heide, vennen en akkers. 
    • De weg die Pietro en Bruno vaak afleggen, de berg op naar een ijskoud meer, heeft Cognetti de afgelopen jaren tientallen malen gelopen. ‘Kom’, wenkt hij, ‘we gaan hier naar boven.’ Een pad van zware rotsblokken voert omhoog door een geurig naaldbos. Als een gems gaat de schrijver ons voor – het is bijna rennen, zo snel gaat hij. Het kost moeite zijn rode rugzakje bij te houden. ‘Als kind hield ik van dit landschap, maar ik was wel erg eenzaam. Ik had hier geen enkele vriend, en moest vooral mijn fantasie gebruiken en zelf avonturen verzinnen. Ik voelde me aangetrokken tot de kinderen van de bergen, maar die waren altijd aan het werk op de boerderij, met de dieren. Ze hadden geen tijd om met mij te spelen. Bovendien was ik echt vreselijk verlegen, dus ik durfde ze ook niet aan te spreken. [2] 
    • In navolging van het CDA komt ook de VVD in het geweer tegen de plannen van het rijk om extra natuur te creëren in het Agelerbroek, Voltherbroek en Achter de Voort. Tweede kamerlid Helma Lodders heeft namens de VVD inmiddels daarover kritische vragen gesteld aan staatssecretaris Sharon Dijksma. Maar daar blijft het niet bij. Want ook vanuit provinciale staten gaan de liberalen druk uitoefenen op de staatssecretaris om te voorkomen dat er 46 hectare naaldbos moet worden aangeplant in de drie natuurgebieden om de toename van de stikstofemissie te compenseren. Dat is het uitvloeisel van de nieuwste Programmatische Aanpak Stikstof-analyse. [3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard VRIJDAG 25 AUGUSTUS 2017
  3. Tubantia 6-10-2015
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be