Naar inhoud springen

bundel

Uit WikiWoordenboek
bundel takjes
  • bun·del
enkelvoud meervoud
naamwoord bundel bundels
verkleinwoord bundeltje bundeltjes

debundelm

  1. zijdelings bijeengehouden verzameling langwerpige voorwerpen
     Als de Duitser uit het gezicht was, werden de rijen samengesnoerd tot een wriemelende bundel boven wat er was gemorst; met één hand raapten de mensen, met de andere, die als een vleugel achteruitstak, drukten zij wie achter hen stonden, weg.[3]
    • De bundel takken werd met een touw bijelkaar gehouden. 
  2. verzameling gelijksoortige zaken
     De blik in de bruine ogen van Jeroen weerstond de bundel ijskoude vlammen die Steiner hem toezond.[4]
  3. een verzameling teksten in één drukwerk verzameld
     In de afgelopen veertig jaar is ook de (wetenschaps)journalistiek ingrijpend veranderd - ook dat valt in deze bundel terug te zien.[5]
     Zijn ze vlinders of mensen? Zijn ze vlinders die dromen dat ze mensen zijn? In dit gedicht met de titel 'Oude Chinezen' uit haar tweede bundel Fantasii (2021) verhoudt Riem zich speels-kritisch tot de taoïstische wijsgeren.[6]
    • Het is een van de lastigste vragen die vrienden je kunnen stellen: ‘Wat vond je de beste bundel van het afgelopen jaar?’ Na vijftig jaar poëzie lezen weet ik dat het antwoord op die vraag nooit meer kan zijn dan een momentopname.[7] 
     In de afgelopen veertig jaar is ook de (wetenschaps)journalistiek ingrijpend veranderd - ook dat valt in deze bundel terug te zien.[5]
  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.
vervoeging van
bundelen

bundel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bundelen
    • Ik bundel. 
  2. gebiedende wijs van bundelen
    • Bundel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bundelen
    • Bundel je? 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[8]