parkbos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

parkbos
Uitspraak
Woordafbreking
  • park·bos
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord parkbos parkbossen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

parkbos o

  1. een aangelegd bos met wandelfaciliteiten
    • Natuurmonumenten hoopt dat Nederlanders op de laatste zondag namiddag van deze maand massaal hun portemonnee trekken voor de aanschaf van bomen. Tijdens de 1,5 uur lange tv-actie kan iedereen voor 25 euro een boom kopen. Deze wordt dan geplant in het Parkbos, een toekomstig recreatiebos onder de rook van Utrecht. [1] 
    • Op het privéterras van de kamers geniet je bovendien van een mooi uitzicht op het kasteel en het 18e-eeuwse parkbos. Het kasteel heeft een uitgebreide kunstcollectie en wisselende tentoonstellingen. Verder is er een leuk grand café en een prachtige tuin met terras. [2] 

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tubantia Renske Baars 14-09-15 Tv-actie 'Open het Bos' voor 25.000 bomen
  2. De Telegraaf 22 okt. 2014 Nachtje kasteel in eigen land