donder

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • don·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord donder donders
verkleinwoord dondertje dondertjes

Zelfstandig naamwoord

donder m

  1. (meteorologie) een zeer luid geluid bij onweer
    • Hij is bang voor donder. 
  2. (informeel) het lichaam
    • Hij kreeg op z'n donder (hij kreeg straf maar dat hoeft lang niet altijd een lijfstraf te zijn). 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
donderen

donder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van donderen
    • Ik donder. 
  2. gebiedende wijs van donderen
    • Donder! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van donderen
    • Donder je? 

Verwijzingen