donder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • don·der
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘geluid bij bliksemslag’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord donder donders
verkleinwoord dondertje dondertjes

Zelfstandig naamwoord

donder m

  1. (meteorologie) een zeer luid geluid bij onweer
    • Hij is bang voor donder. 
     Waarom had ik geen donder gehoord of bliksem gezien tijdens mijn tocht omhoog?[3]
  2. (informeel) het lichaam
    • Hij kreeg op z'n donder (hij kreeg straf maar dat hoeft lang niet altijd een lijfstraf te zijn). 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
donderen

donder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van donderen
    • Ik donder. 
  2. gebiedende wijs van donderen
    • Donder! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van donderen
    • Donder je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie


Verwijzingen