dennenbos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

dennenbos
Uitspraak
Woordafbreking
  • den·nen·bos
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dennenbos dennenbossen
verkleinwoord dennenbosje dennenbosjes

Zelfstandig naamwoord

dennenbos o [1]

  1. (biologie) een bos met dennen, een bos met naaldbomen
    • Voor de ingang van het park stonden gendarmeriebusjes geparkeerd. In de zaterdagkrant was ook een luchtfoto afgedrukt van het Plateau de Millevaches. Daarop waren eindeloze dennenbossen te zien zonder ergens bebouwing of doorgaande wegen. [2] 
    • Stroken dennenbos werden afgewisseld met kale loofbomen en stukken grauw gras. Ik telde onderweg de vele roof vogels die op palen en hekken zaten. Het voorkwam dat ik aan de avond dacht. [3] 
    • Naast de kust blijven de Ardennen dé Belgische vakantieklassieker. Maar vergeet het beeld van die plek waar een kajaktochtje het enige alternatief is voor een wandeling door het beuken- of dennenbos. De Ardennen staan voor een grote omwenteling, met dank aan Marc Coucke. [4] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Berg, Michael Een echte vrouw [2010] ISBN 978-90-443-2721-2 pagina 168
  3. Stralen, Auke van Tankstelle [2014] ISBN 978-90-468-1581-6 pagina 59
  4. de Standaard 06/juli/2017 door wle/pse