bosspel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bos·spel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bosspel bosspelen
verkleinwoord bosspelletje bosspelletjes

Zelfstandig naamwoord

bosspel o

  1. een avontuurlijk spel dat men speelt in de buitenlucht
    • Waarom met een plastic poppetje spelen als je ook zelf de pion kan zijn? De Tactische Bosspelen, een club volwassenen die nog lang niet uitgespeeld zijn, organiseren in een pikdonker Noorderpark levend stratego en vlaggenroof. [1] 
    • De jongeren komen uit alle regio’s van Vlaanderen en uit alle mogelijke settings. Sommigen komen van thuis, anderen uit een voorziening en er zijn ook twee jonge asielzoekers bij uit het opvangcentrum van Broechem. ‘Gisteravond hebben we een bosspel gespeeld en het was keigoed. Dat hadden ze zelf in mekaar gestoken’, zegt begeleidster Katelijne Vandenbroucke, die duidelijk fan is van het concept. [2] 
    • Mijn indruk is dat de meeste kinderen anno 2006 precies zo zijn als mijn spontane, vlotte leeftijdgenootjes in de jaren zestig en zeventig. Zij zijn dol op bosspelen, houden van sport, en treden graag op in verkleedkleren met een playback versie van het nieuwste nummer van K3. [3] 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Het Parool 28 OKTOBER 2017 Dit kun je doen tijdens 24H Noord
  2. De Standaard MAANDAG 24 JULI 2017 - BINNENLAND Op Blanco- kamp, waar tieners baas zijn
  3. NRC Margo Trappenburg 3 maart 2006 Naschoolse opvang