bosmaaier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

bosmaaier
Uitspraak
Woordafbreking
  • bos·maai·er
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bosmaaier bosmaaiers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bosmaaier m

  1. grasmaaier voor een niet glad oppervlak
    • Met een bosmaaier worden achttienduizend cannabisplanten in een bos bij het Limburgse Reuver geruimd. [1] 
    • 'Zeisen', ofwel maaien met de zeis. Wie de geluidsarme en milieuvriendelijke voorganger van de 'bosmaaier' wil leren bedienen, kan zaterdag 5 juni in Barchem een cursus volgen bij de Stichting Landschapsbeheer Gelderland. [2] 
Vertalingen

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Het Parool ILONKA KAMANS MAURICE VELDMAN EN TIM VAN DER EERDEN 27 OKTOBER 2014, 'De wietteelt verdient een eigen gedoogbeleid'
  2. Tubantia 26-03-17 Cursus maaien met de zeis