campagne

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[1] vaccinatie campagne
Uitspraak
Woordafbreking
  • cam·pag·ne
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘veldtocht’ voor het eerst aangetroffen in 1597 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord campagne campagnes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

campagne v/m

  1. een actie voor een bepaald doel, verkiezingsstrijd
    • De toon van de VVD is de laatste week op zijn zachtst gezegd nogal stevig. Dat heeft alles te maken met de campagne voor de Provinciale Statenverkiezingen, die woensdag 20 maart plaatsvinden. Rutte en Dijkhoff willen kiezers op rechts die nu voor Wilders en Baudet kiezen, graag terug. [3] 
    • De vrijwilligers van de verkiezingscampagne deelden foldertjes uit op de markt. 
  2. (militair) veldtocht
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen